Een kind leert bij freerunnen de basis van bewegen: rennen, springen, klimmen, hangen, balanceren, veilig landen en rollen. Daarnaast leert het inschatten wat het wel en niet kan — durf én rem. Die combinatie maakt freerunning een goede basis onder elke andere sport, ook voor kinderen die al in een competitieteam zitten.
Techniek: precisiesprongen, vaults over obstakels, wall runs, swings aan rekstok of ringen, en later salto's op de airtrack.
Lichaam: kracht in benen en romp, coördinatie, balans en lenigheid. We bouwen dat op met eigen lichaamsgewicht, niet met gewichten.
Hoofd: zelf een lijn kiezen, een sprong opdelen in stapjes en opnieuw proberen na een mislukte poging. Kinderen bepalen zelf hun tempo.
Voetballers, turners en dansers merken vooral verschil in landen, sprongkracht en lichaamsbesef. Freerunning is geen concurrent van hun sport maar een aanvulling: bewegen op eigen initiatief in plaats van in een vaste oefening.
Omdat er geen wedstrijden zijn, is er ook geen selectiedruk. Een kind dat nog nooit gesprongen heeft kan naast een gevorderde in dezelfde zaal staan, op eigen niveau.
Parkour gaat vooral om zo efficiënt mogelijk van A naar B komen; freerunning voegt stijl en acrobatiek toe. In onze lessen komen beide aan bod.
Ja, en dat gebeurt veel. Eén freerunles per week naast voetbal of turnen is een gangbare combinatie.